Begeleider Danielle van den Hurk vertelt over kijken naar mij als mens.

“Het begon in mei 2019. Ninthe was duizelig. Eerst dacht de huisarts dat het kwam, doordat ze op haar stuitje was gevallen. Maar Ninthe kreeg snel meer klachten: ze hield haar hoofd scheef, was misselijk, ze had geen smaak meer, geen gevoel in de benen… Na een aantal keer in het ziekenhuis te zijn geweest werd uiteindelijk een MRI-scan gemaakt. Net op de kinderafdeling aangekomen kwam de uitslag al: ‘Uw dochter heeft hersenstamkanker. Dat is ongeneeslijk’.”

“Op 25 september overleed Ninthe, net 13 jaar. De tumor groeide ontzettend snel. Ook de artsen stonden ervan te kijken. Er was veel minder tijd om te behandelen dan ze dachten. We verbleven de eerste zes weken in het ziekenhuis. In die tijd werd Ninthe dertien keer bestraald. Onze zelfstandige puber werd een afhankelijk meisje. Het was verschrikkelijk. Toen ze net wist dat ze dood zou gaan zei Ninthe: ‘Mama, mag ik een spuitje net als met de dieren?’ Uiteindelijk is dat niet nodig geweest. Ze maakte zich ook zorgen over mij, dat ik nog maar één kindje zou hebben om voor te zorgen. En Vince geen grote zus meer had, die op hem kon passen.”

“De laatste weken in het ziekenhuis waren niet alleen verdrietig. Er waren ook veel liefdevolle en verbonden momenten. Samen in het bad, midden in de nacht augurken met worst en kaas eten omdat ze eetbuien had van de medicijnen, zangeres Maan ontmoeten… We hebben ook samen haar begrafenis voorbereid: de muziek, wat ze aan wilde. Het moest klein worden en een beetje een feestje zijn. En absoluut niet saai. Een prachtig plekje had ze uitgezocht op de begraafplaats, waar ze naartoe werd gereden op een platte kar met twee paarden ervoor. En iedereen moest er op de fiets achteraan. Dat was Ninthe: ze wist wat ze wilde. Zelfbewust. Er is niets om spijt over te hebben.“

“Toen we in het ziekenhuis zaten en we net het slechte nieuws hadden gehoord, appte een collega. Ik belde haar en vertelde wat er aan de hand was. Ze zei: ‘Jij gaat doen wat je moet doen: er zijn voor je dochter. Wij lossen het hier samen op.’ En zo hebben ze het ook gedaan. Mijn collega’s hebben mijn uren erbij gedraaid. Zo kon ik de zorg over mijn baan en hoe het met de cliënten moest meteen loslaten. Dat was… daar heb ik eigenlijk geen passende woorden voor. Je voelt je op zo’n moment zo gezien. Toen dat niet meer kon, heeft de HR-adviseur gezorgd dat er een andere oplossing kwam. Ik heb mij al die tijd niet ziek hoeven melden.”

“Het is nu bijna een jaar geleden, dat ik voor het laatst bij SWZ werkte als begeleider. Die periode voelt groot en lang. Ninthe is altijd bij mij. Net als de pijn en het verdriet. Tegelijkertijd word het zware wat minder. Ik kan weer blij worden van de zon, en af en toe ook lachen. Het wordt langzaam tijd om in kleine stapjes weer aan werken te denken. Maar ik vind dat ook lastig. Bij mijn collega’s is er niet veel veranderd. Bij mij wel. Rouwen over je kind is een eenzaam proces. Mensen in mijn omgeving vinden het moeilijk om erover te praten, bang om het fout te doen. Hoe breng ik die werelden straks op een natuurlijke manier weer bij elkaar op mijn werk?”

“Tegelijkertijd denk ik: daar komen we vast wel uit. Toen ik hier solliciteerde, had ik net een depressie achter de rug en een heel nare ervaring bij mijn vorige werkgever. In SWZ als werkgever heb ik daarentegen alle vertrouwen. Ze doet wat ze zegt. Dat was al zo, toen ik hier kwam. En zo was het ook tijdens de ziekte van Ninthe. Men kijkt hier naar wie je bent, als persoon. En dat merk je aan de mensen die hier werken.”