Debby Linders vertelt over ruimte voor rauw verdriet

“Eerst dacht ik: oh jee, er zal wel iets met een cliënt zijn. Vervelend. Maar toen ik schuin achter de politie mijn moeder zag staan, wist ik meteen: dit is fout. De grond zakte onder mijn voeten weg. Ik kan dat gevoel nog heel goed terughalen. Geert-Jan – mijn man – oefende die dag in Limburg met een aantal collega’s voor een goede-doelenfietstocht. ’s Morgens hadden we elkaar nog gedag gekust, geintjes gemaakt. Een paar uur later raakte hij in een pittige afdaling de macht over zijn stuur kwijt en kwam ten val tegen een boom. Op datzelfde moment was ik in Boxmeer druk met het overlijden van een cliënt die ik begeleidde. Dat was ook geen alledaagse kost voor mij. Bizar toch hoe die dingen dan plotseling samenkomen?! We hadden een prachtig leven opgebouwd, samen met onze twee kinderen. Ineens: weg.”

“Dat is nu bijna een jaar geleden. In Boxmeer ben ik gestopt. Ik werkte daar in een heel hecht en stabiel team voor een groep cliënten met niet-aangeboren hersenletsel. Dat kon ik niet meer aan. Je moet echt stevig in je schoenen staan om de cliënten goed te kunnen begeleiden. Die stevigheid ben ik kwijt. En ik kan van hen niet vragen zoveel rekening te houden met mij als ik nodig had. Bovendien kreeg ik de wisselende diensten niet meer geregeld thuis. En het bezoek van de politie aan mijn werk was eerlijk gezegd een traumatiserende gebeurtenis. Die staat in mijn geheugen gegrift. Ik kon het niet meer opbrengen om daar naartoe te gaan.”

“In de weken na de uitvaart heb ik verschillende keren contact gehad met onze ontwikkelcoach. Ook met onze zorgdirecteur hoor, maar die stond wat verder weg. Beiden waren op hun eigen manier heel betrokken. Ze zeiden: denk nu even niet aan werk, en neem geen overhaaste beslissingen waar je spijt van krijgt. Dat was wel fijn. Want ik had het gevoel dat ik snel een besluit moest nemen over mijn toekomst. Vanuit een soort onrust denk ik. En omdat ik eigenlijk al heel snel met veel pijn in m’n hart voelde: Boxmeer wordt ‘m niet meer. Door wat zij zeiden, kon ik die onrust loslaten en me richten op het rauwe verdriet waar ik me doorheen moet worstelen.”

“Ook in de weken daarna heb ik op geen enkele manier druk ervaren. Dat was voor mij zo belangrijk. Natuurlijk borrelde op een gegeven moment een bepaalde behoefte aan afleiding op. Ik heb toen eerst een tijdje meegewerkt aan een organisatie-breed project. Tussendoor heb ik geprobeerd de uren een beetje uit te breiden. Maar mijn hoofd en lijf floten me keihard terug. Ik had geen overzicht meer toen mijn taken complexer werden. Dat voelt als falen. Dan is het ontzettend waardevol, dat ik dat zelf mag ontdekken en me niet verplicht hoef te voelen richting mijn werkgever om meer te doen dan ik eigenlijk aan kan. Ze zeiden: richt jij je maar op wat je nu aan kunt en vraag niet meer dan dat van jezelf.”

“Ik ben ontzettend blij met de mensgerichte benadering van SWZ. En ik ben trots dat ik hier mag werken. Dat wil ik ook graag helpen uitdragen. Er wordt vaak gemopperd over werkgevers. Je hoort dan hoe het er aan toe gaat; dat mensen zichzelf en hun verwerking van ingrijpende gebeurtenissen in de weg zitten, omdat ze gewoon geen ruimte krijgen. Het kan echt anders. Dat ervaar ik nu. En dat is heel bijzonder.”